De kunstenaar Jan van Galen (1943) gaf weinig woorden aan wat er in hem omging en aan wat hij maakte. Juist dat is zo kenmerkend voor zijn werk: hij hoefde zijn binnenwereld niet in woorden uit te leggen. Hij kon haar vormgeven.
Van Galen kreeg al op jonge leeftijd last van pleinvrees. Daardoor trok hij zich steeds meer terug in zijn eigen veilige omgeving: zijn atelier. Die plek werd een wereld waarin hij volledig zichzelf kon zijn en waar alleen zijn vrouw en kinderen welkom waren. Daarin lijkt de betekenis van zijn kunst te liggen: het maken gaf hem vrijheid en een eigen ruimte.
Tijdens de Kunstlijn 2026 exposeert Museum van de Geest vijf van zijn beelden, die we dankzij een schenking van Ruud en Marga Lapré kunnen laten zien. Deze beelden tonen zijn persoonlijke en artistieke ontwikkeling en zijn eigenzinnige beeldtaal.