25 mei 2020

Zonde van je taal

‘Alleen samen krijgen we corona onder controle,’ zo luidt de slogan van de Rijksoverheid. Maar in feite kan er ook tijdens deze corona-uitbraak gesproken worden van twee werelden, net als in vroegere tijden; eentje met ‘gezonde’ mensen, die gezellig over straat wandelen, en een wereld met ‘zieke’ mensen, waarvoor een ‘leprozenhuis’, pestzaal, psychiatrische instelling of Corona-afdeling wordt ingericht. Het Dolhuys in Haarlem is zo’n wereld; het pand heeft 700 jaar lang onderdak geboden aan mensen met ziektes als lepra, de pest en syfilis. Hoe we dit soort aandoeningen benaderen als maatschappij is mede afhankelijk van ons taalgebruik. Vandaag bekijken we daarom ziekte als beeldspraak; van verval en zonde tot oorlog en plaag.

Ziekte als metafoor
In haar invloedrijke essay ‘Disease as political metaphor’ (1978) wijst schrijfster en filosofe Susan Sontag (1933-2004) ons op de gevaren van ziekte als beeldspraak. Bepaalde aandoeningen worden vaak ingezet om onaangename zaken een naam te geven. Een afbrokkelende stenen gevel is in het Frans bijvoorbeeld ‘lépreuse’, zo schrijft Sontag. In de middeleeuwen was de zogenaamde ‘leproos’ namelijk een symbool van verval en de aandoening veroorzaakte een onevenredig gevoel van afschuw. Dat blijkt ook uit de geschiedenis van het Dolhuys. Iemand geïnfecteerd met lepra, zo dacht men, was door eigen zonden ziek geworden en werd daarom uit de gemeenschap verstoten naar het toenmalige ‘leprozenhuis.’ Het mismaakte uiterlijk van deze mensen werd vaak gezien als een teken van verdorvenheid en morele aftakeling. Lepra was, zo geloofde men, een straf van God. Dat de aandoening veroorzaakt wordt door een bacterie was toen nog niet bekend.

We gebruiken ook onaangename zaken om een ziekte te beschrijven. Zo staat de pest ook wel bekend als ‘de zwarte dood’. Middeleeuwse ervaringen met deze ziekte zijn verbonden met noties van morele ‘vervuiling’. Mensen zochten daarbij, helaas, vaak buiten de getroffen gemeenschap naar een zondebok. Sontag wijst op de vervolging van joden tijdens een uitbraak van de pest in Europa tussen 1347 en 1351. Syfilis is ook wel omschreven als ‘de jeugdige hoerenvloek die de bruidsstoet tot lijkstoet maakt’. Toen het Dolhuys nog dienst deed als Stadsarmen- en Ziekenhuis, werd er in 1862 zelfs een speciale afdeling ingericht voor prostituees met syfilis. Het gebouw waar ze huisden leek op een gevangenis; de deur werd van buiten gesloten en de matglazen ramen waren hooggeplaatst, om contact met de buitenwereld te bemoeilijken. Sekswerkers moesten zich er wekelijks laten onderzoeken op geslachtsziektes en wie syfilis bleek te hebben werd meteen opgenomen. Prostitués werden streng gescheiden gehouden van de andere bewoners, want omgang met deze ‘gevallen’ vrouwen kon namelijk een negatief effect hebben op de morele toestand van anderen in hun omgeving.

Naast lepra en syfilis zijn er nog veel meer ziektes die op allerlei manieren door onze taal worden misbruikt. Tuberculose staat ook wel bekend als ‘de witte pest’ en kanker als een ‘invasie’ van gemene cellen, die vanaf de tumor het lichaam ‘koloniseren’. Aids is nog een voorbeeld. Toen deze aandoening eind jaren 70 op grote schaal de kop op stak, werd het in eerste instantie bestempeld als ‘homoziekte’, omdat de sterfte hoog was onder homoseksuelen. Velen beschouwden het als een straf van God en homoseksualiteit dus als immoreel gedrag. Al snel werd bewezen dat deze opvatting niet deugde, omdat ook heteroseksuelen aids kunnen krijgen. Onwetendheid rondom aids leidt nog steeds tot discriminatie, vermijding en afstand.

Zonde van je taal

Coronabulair
Ook de corona-epidemie treden we tegemoet met een flinke dosis letterkundige verbeeldingskracht. We verpakken ‘onze strijd’ tegen Covid-19 in termen als ‘oorlog’ en ‘crisis’. Er wordt, aldus spraakmakers (radio NPO1), gesproken over een onzichtbare rechter die een oordeel velt over onze amorele levensstijl. De mensheid zou een schadelijk virus zijn waartegen Moeder Aarde een nieuw vaccin heeft ontwikkeld.

Van ‘Coronials’ tot ‘quarantinderen’, het wordt inmiddels allemaal opgenomen in een ‘coronawoordenboek’. De alles overtreffende uitdrukking: ‘coronazi’. Dat is iemand die een ander die zich niet aan de corona- en/of lock down-maatregelen houdt, op vrij agressieve wijze aanspreekt en de les leest, aldus taalpublicist Ton den Boon. In dezelfde context las ik ook over vermeende RIVM-NSB’ers. In Duitsland (de ‘corona-weltmeister’), waar men angst had voor een ‘Merkel-dictatuur’, werd dit sentiment overigens ook omgekeerd: ‘de publieke omroep zet je hier meteen weg als Nazi, als je het waagt vraagtekens te zetten bij het regeringsbeleid,’ zo sprak iemand in de Volkskrant. De retoriek omtrent het virus neemt de vorm aan van een strijd tussen democratie en dictatuur. Het belangrijkste verschil met de Tweede Wereldoorlog; tegenwoordig worden beide partijen uitgemaakt voor Nazi’s.

De vergelijking die in mijn ogen eigenlijk alles zegt over de huidige situatie, de onwetendheid en de paniek, werd uitgelicht in Zondag met Lubach (met betrekking tot de beruchte corona-app): ‘’Iedereen die zijn mond vol heeft over privacyschending […] moet maar lekker naar een onbewoond eiland verhuizen. Weer een kans op besmetting minder. Dat zijn de echte plagen van deze wereld.’’

De consequenties van taal
Net als bij lepra, de pest, syfilis en andere aandoeningen zien we dat corona op allerlei manieren in ons taalgebruik wordt toegepast. Een gevolg van dit soort retoriek is dat het bijvoorbeeld zwart-wit denken in de hand werkt: als een virus onze vijand is, dan wordt iedere medemens een potentiele rivaal. In onze samenleving zijn zieken tegelijkertijd ‘verdacht’. Hun levensstijl wordt klaarblijkelijk bestraft door een onzichtbare rechter. Zij zijn kennelijk het schadelijke virus waartegen Moeder Aarde een vaccin heeft bedacht.

Door het veelvuldige gebruik van fatale ziektes als beeldspraak voor onaangename zaken, als graadmeter voor moraliteit of simpelweg als iets waar we tegen ‘strijden’, suggereren we eigenlijk dat er mensen schuldig zijn aan de desbetreffende aandoening en dat zij daarvoor gestraft of bestreden moeten worden. Iemand die geïnfecteerd is met corona kan in onze wereld het gevoel krijgen dat hij of zij dat zelf heeft veroorzaakt, of niet hard genoeg strijdt om de ziekte te overkomen.

Bovenstaande maakt duidelijk dat de scheiding tussen de wereld van de ‘gezonde’ mensen en de wereld van de ‘zieke’ mensen ook tijdens deze corona-pandemie al duidelijke vormen aan begint te nemen. Stigma is van alle tijden; ook de onze. ‘Alleen samen kunnen we uitsluiting tegengaan,’ zo zou de slogan van de Rijksoverheid moeten klinken.

Paul Stam (1993) is stagiair bij het Kenniscentrum van het Museum van de Geest. Hij studeert Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en probeert een brug te slaan tussen de historische wetenschap en het grote, in het verleden geïnteresseerde publiek.

Delen