26 mei 2020

Van leprozenklepper tot corona-app

Alhoewel niemand precies lijkt te weten wat ons overkomt, luisteren de meeste mensen naar de experts. Mondkapjes op, afstand houden en zoveel mogelijk thuis blijven, dat is het devies. Het zijn maatregelen die ons beperken in de bewegingsvrijheid die we voorheen voor lief namen. Er zijn echter ook mensen die onze pogingen om de verspreiding van het virus in te dammen afdoen als ‘middeleeuws’. Is dat een legitieme vergelijking? Vandaag bespreken we de rode draad die door de tijd heen loopt; van ‘leprozenklepper’ tot corona-app.

Alle ‘lijders’ op een hoop
We kunnen nog steeds vrij rondlopen in de stad. Met de nadruk op nog steeds. Stigma en uitsluiting groeien namelijk met de tijd; dat is wellicht één van de lessen die we kunnen trekken uit de rijke geschiedenis van het Dolhuys. Zo lijkt het erop dat mensen geïnfecteerd met lepra tot het einde van 13e eeuw gewoon rond konden lopen in de Haarlemse gemeenschap. Daarna moesten ze, net als in de rest van Europa, hun heil buiten de stadsmuren zoeken. Voor hen geen bezoekjes aan de supermarkt. Geen videoconferenties met gezonde vrienden, familie of collega’s. Geen Wereldgezondheidsorganisatie die naar oplossingen zoekt. Geen gezellige quarantaine ten behoeve van een intelligente lockdown.

Als je lepra had, dan moest je gewoon ouderwets met alle zieken op een hoop in het toenmalige ‘leprozenhuis’. En dan maar hopen en bidden dat je zou genezen. Later, in 1653, werd de oude verblijfsplaats voor mensen met lepra omgetoverd tot een pestzaal. Vervolgens werden er mensen opgenomen met aandoeningen als syfilis en cholera, maar ook weeskinderen, mensen met psychische kwetsbaarheden, armoedzaaiers en mensen met een verslaving vonden er een verblijfplaats. Voor al deze personen gold in principe hetzelfde; je werd buitengesloten. En buitensluiten is een middeleeuwse praktijk, daar doen we niet meer aan, anno 2020, toch?

Middeleeuwse praktijken?
Niet helemaal. Dat blijkt uit de persoonlijke blog van Guy Geltner (Mediëvist, UvA). We moeten volgens hem dan ook uitkijken wanneer we zaken al te gemakkelijk afdoen als ‘middeleeuws’. We bewandelen namelijk geen normatief pad van ‘ouderwetse’ naar ‘moderne’ praktijken. Het idee dat we dat we dat wel zouden doen bevordert een misplaatst gevoel van superioriteit ten opzichte van vroegere samenlevingen, die vaak worden afgeschilderd als ‘ongeciviliseerd’ of ‘barbaars’.

Het komt erop neer dat we bij het beperken van de impact van corona eigenlijk niet eens een keuze hebben tussen niet-biomedische (“middeleeuwse”) oplossingen en geavanceerde, rationele (“moderne”) oplossingen. Na alle hectiek, waarin geen enkele wetenschapper duidelijke antwoorden kon geven op onze prangende vragen, terwijl de dodentallen razendsnel opliepen, zijn er in de afgelopen weken een reeks preventieve maatregelen uitgerold die al sinds de twaalfde eeuw worden toegepast: sociale afstand, snelle begrafenissen, gesloten poorten, beperkte beweging, nauwgezet markttoezicht en snelle communicatie om anderen op de hoogte te houden. Onderzoekers wijzen op het feit dat vroegere samenlevingen beschikten over een complex gezondheidsbewustzijn en rijke ervaring hadden met het implementeren van preventieve maatregelen op populatieniveau, ver voordat bepaalde ziektes daadwerkelijk uitbraken. Zo werd Haarlem in 1664 voor het laatst getroffen door een pestepidemie, maar nog lang daarna werd de pestzaal paraat gehouden. Voor het geval dat.

Zonde van je taal 3

De Haarlemse Gezondheidsorganisatie
Steden dwongen zonering af, legers hielden hun dieet in de gaten, mijnwerkers droegen beschermende uitrusting: allemaal actief beheer van unieke risico’s, zonder de hulp van microscopen, koloniale legers, de WHO of de Rockefeller Foundation, zo schrijft Geltner. In deze context kan het Dolhuys wellicht worden gezien als een soort Wereldgezondheidsorganisatie avant la lettre. De middeleeuwse variant; HGO (Haarlemse Gezondheidsorganisatie).

Laten we dus eens wat van die ‘middeleeuwse praktijken’ op een rijtje zetten en vergelijken met het heden. Zo was er in Haarlem een college van regenten en regentessen, die het ‘Pest-, Dol en Leprooshuis’ bestuurden; de geldzaken regelden en eten, wol en linnengoed verzorgden. Wat opvalt is dat het hoofdgebouw, waar men met elkaar leefde, een grote en monumentale ruimte is. Dit laat zien dat de toenmalige ‘leprozerie’ vermogend was. Rijkere mensen, geïnfecteerd met lepra moesten al hun bezit aan het huis schenken en vermogende Haarlemmers schonken uit liefdadigheid; dit waren de Rockfellers van hun tijd. Het laat zien dat de geschiedenis van het Dolhuys niet alleen gaat over uitsluiting, maar ook over naastenliefde en zorg voor zwakkeren.

Dan is er het oudst overgeleverde archiefstuk over het Haarlemse ‘Leprooshuis’, stammend uit 1394, met daarin het reglement van het stadbestuur voor de zogenaamde ‘leprozerie’. In dit stuk wordt de dagelijkse gang van zaken in het ziekenhuis geregeld en staat beschreven hoe de mensen daar moesten leven. Zo moesten zij wanneer de avondklok had geluid op hun knieën vallen en bidden voor iedereen die hen een aalmoes had gegeven. Anno 2020 klinkt er luid applaus en worden er liederen gezongen vanaf balkons, om de hulpverleners te bedanken en een hart onder de riem te steken.

Wie lepra had kreeg daarvoor een speciaal certificaat; een vuilbrief genaamd. Daarmee had je recht op een plek in je plaatselijke leprozerie en kreeg je toestemming om te bedelen. Je kreeg ook een klepper mee, zodat iedereen kon horen dat je met lepra geïnfecteerd was. Ze moesten op hun jas een stukje witte stof dragen in de vorm van een ‘leprozen kleppertje’ en daarbovenop droegen ze ook nog een zwarte hoed met witte band op het hoofd. Tegenwoordig spelen we met het idee van een app om te laten zien waar de ‘verdachten’ zich bevinden.

Twijfel is van alle tijden
Wat ook van alle tijden is: de twijfel en de onwetendheid. Men wist eigenlijk niet eens goed wanneer iemand lepra had en het was een vrij breed begrip; ook allerlei andere zichtbare huidziektes, zoals schurft, vielen er onder. In 1413 kreeg het voormalige ‘leprozenhuis’ schouwrecht; vanaf dat moment moesten ‘Lepraverdachten’ uit de hele Noordelijke Nederlanden en Zeeland naar Haarlem reizen om zich daar te laten keuren. Dit gebeurde tot 1795. Interessant weetje: geneesheer Pieter van Foreest (1521-1597), beter bekend als ‘de Hollandse Hippocrates’, beweerde dat slechts 10% van de gekeurden echt lepra had. De meeste mensen hadden volgens hem schurft en andere oppervlakkige huidaandoeningen.

In de tegenwoordige tijd weten we het ook allemaal niet zo zeker; is iemand gestorven aan corona of niet? Hoeveel besmettingen zijn er nou echt? Welke groepen zijn het meest kwetsbaar? Moeten we democratisch of autoritair optreden? We weten het niet. Wat we wel weten is dat al deze pogingen, zowel vandaag de dag als toentertijd, gezien moeten worden in hun eigen culturele context en dat modern en middeleeuws verdacht veel op elkaar lijken, maar dat de beschikbare middelen aan verandering onderhevig zijn.

Paul Stam (1993) is stagiair bij het Kenniscentrum van het Museum van de Geest. Hij studeert Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en probeert een brug te slaan tussen de historische wetenschap en het grote, in het verleden geïnteresseerde publiek.

Delen